Kunstenaar Herman van den Bosch (1907 – 1993)

Kunstenaar in de Irene Brigade

Het is een bijzonder hoekje in de Regimentsverzameling: een vitrine en een wand met werken van Herman van den Bosch, sergeant bij de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene. In de vitrine liggen zijn persoonlijke papieren; een schrift van een cursus autotechniek met achterin schetsen van vrouwelijk schoon; een menukaart (door hem ontworpen) met handtekeningen uit 1942; zijn helm en zijn uniform. Op de grond staat een houten Duitse munitiekist die Herman gebruikte als schilderkist. 

Aan de wand hangen door hem gemaakte affiches met tekeningen voor in de kantine, maar natuurlijk ook zijn echte werk: tekeningen en aquarellen over het soldatenleven in het Verenigd Koninkrijk en de oorlog, met een duidelijke religieuze invloed. We zouden het nu veteranenkunst noemen, maar in de tijd van Herman was hiervoor nog geen aandacht en waardering.

Ontwerper van tegels

Herman van den Bosch werd geboren in 1907 in Amsterdam. Hij ging aan het werk bij het architectenbureau van Eduard Cuypers. Hij ontwikkelde zijn tekentalent, zowel met exterieur- als interieurtekeningen, waarbij hij veel aandacht had voor tegels. Privé begon hij in die periode ook met schilderen. De crisis aan het begin van de jaren dertig beëindigde zijn loopbaan in Amsterdam. Zijn werkgever zorgde er voor dat hij aan de slag kon als ontwerper bij de Sphinx in Maastricht. Hier kon hij helemaal zijn hart ophalen met het ontwerpen van tegels en dan met name hele tegelinterieurs. 

Hij kreeg daar in het zuiden verkering met Jo Keizer. Voor haar liet hij zich bekeren tot het Rooms Katholieke geloof. De barokke sfeer van het katholicisme sprak hem trouwens ook heel erg aan, iets dat je later terugziet in zijn werk. Eind jaren dertig werd hij als dienstplichtige gemobiliseerde uiteindelijk kwam hij in de uittocht van een deel van het Nederlandse leger terecht: in mei 1940 op weg naar Engeland.

Over deze tocht zou hij later nog veel vertellen, net zoals alles uit de Tweede Wereldoorlog, maakte dit een diepe indruk op hem.

In Wolverhampton

In het Verenigd Koninkrijk werd hij heel actief als tekenaar en schilder. De barakken, kantines en de grote eetzaal van het Nederlandse kamp Wrottesley Park in Wolverhampton werden van zijn decoraties voorzien. Hij ontwierp en maakte affiches voor in de kantine en tekende voor zijn kameraden, vaak in opdracht. Zijn werk kwam ook terecht in de Britse pubs en vermoedelijk heeft hij zelden of nooit voor zijn pints hoeven te betalen. Zelfs op officiële tentoonstellingen in Londen, georganiseerd door de Nederlandse regering-in-ballingschap, waren tekeningen van hem te zien. Foto’s uit die tijd tonen minister-president Gerbrandy die zijn werk bekijkt

Sergeant in Normandië

Met de Irene Brigade landde hij in augustus 1944 in Normandië. Hij werkte als sergeant bij de staf van een van de gevechtsgroepen en was daar vooral verantwoordelijk voor (het inkleuren van) de kaarten en schetsen. Hij raakte gewond en werd overgeplaatst naar de Compagnie Aanvullingstroepen, waar hij als instructeur aan de slag ging, eerst in een kamp in Deurne en vanaf begin 1945 in Bergen op Zoom.

Gebrek aan waardering

In mei 1945 haalde zijn verloofde Jo Keizer hem op in Vught. Hij bleek een ander mens te zijn geworden. Niet langer de joviale bon-vivant uit de jaren dertig. Hij was getekend door de oorlog en met name diepe geraakt door het gebrek aan waardering voor hem en zijn kameraden van de Irene Brigade, eenmaal terug in de burgermaatschappij.

Veel spotprenten uit die tijd getuigen daarvan. Hij hield goed contact met de andere veteranen en bezocht trouw de jaarlijkse reünies. Zijn werk werd daar regelmatig te koop aangeboden. In de (huis)kamers van Brigade-veteranen hing dan ook vaak een “Van den Bosch”. Voor de Vereniging van Oud-strijders van de Brigade ontwierp hij een kerstkaart.

Samen met zijn oude vriend Harmelaars richtte hij de Staar Ateliers op, een bureau voor reclamewerk. Hij combineerde dit met het maken van aquarellen en olieverfschilderijen van Limburgse boerderijen en stadsgezichten. Op de jaarlijkse kunstmarkt op het Vrijthof in Maastricht werd hiervan af en toe iets verkocht. Eind jaren vijftig ging hij ondergronds aan de slag in Valkenburg om als hulplandmeter de grotten te meten en in kaart te brengen. In de afgelegen gangen daar, zijn nu nog sporen van zijn aanwezigheid te vinden.

Tekenen werd vanaf toen vooral voor tijdens zaterdagen, met schetsboek en viltstift. Hij ging daarvoor vaak naar België. Tot op hoge leeftijd weigerde hij een voet op Duitse grond te zetten. Er zijn honderden schetsen van Maastricht en Luik gemaakt in die periode, van plekjes die nu niemand meer kent. De laatste tekeningen dateren uit augustus 1978. Daarna heeft hij geen pen, potlood of penseel meer aangeraakt. Wel kon hij nog met veel plezier zijn vele schetsen doorbladeren. Wat restte waren de verhalen. Toen hij in 1993 stief waren de herinneringen aan vroeger inmiddels ook uitgedoofd.

Tekst: Hans Sonnemans, Regimentsconservator