Het zijn van die momenten die je nooit vergeet. Tijdens de viering van 60 jaar Garderegiment Fuseliers Prinses Irene in 2001 kreeg ik een grote tas in handen gedrukt door de Zuid-Afrikaanse vertegenwoordiger van de oud-strijders van de voormalige Prinses Irene Brigade. Er was eigenlijk geen goed moment om het te bekijken door de drukte van het evenement. De tas ging naar het museum en pas de volgende dag, in alle rust, bekeek ik de inhoud van de tas en werd laaiend enthousiast. Het ging om een schenking van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar Gabriël de Jongh, geboren in Amsterdam op 6 april 1913, in 2001 dus 88 jaar.
Zuid-Afrikaans dienstplichtige
De Jongh woonde vanaf zijn achtste levensjaar in Zuid-Afrika. Hij studeerde onder andere aan de Cape Times en de Michaelis School of Art en werd beeldend kunstenaar. Hij behield zijn Nederlandse nationaliteit en werd na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog dienstplichtig verklaard, net als andere jonge Nederlanders woonachtig in Zuid-Afrika. Velen onttrokken zich op een of andere manier aan deze dienstplicht, maar niet Gabriël. Hij vertrok op 20 november 1942 als dienstplichtig militair, op weg naar Groot-Brittannië, om zich aan te sluiten bij de Nederlandse Troepen daar. Hij werd ingedeeld bij de Derde Gevechtsgroep (zelfstandige compagnie) van de Koninklijke Nederlandse Brigade “Prinses Irene”.
Van zijn capaciteiten als beeldend kunstenaar werd goed gebruik gemaakt, want hij kleurde en verduidelijkte de militaire tekeningen en kaarten, in die tijd nog een handmatige klus. Ook het compagnieskrantje werd door hem van kleur en afbeeldingen voorzien. In augustus 1944 maakte hij de oversteek naar Normandië en maakte met zijn gevechtsgroep de opmars mee. Tijdens een wachtdienst in Waspik in november 1944 raakte hij gewond door een artilleriebeschieting. Hij kwam terecht in een Brits veldhospitaal, herstelde, maar werd ongeschikt verklaard voor verdere dienst. In mei 1945 keerde hij terug naar Zuid-Afrika.
De inhoud van de tas bleek zo ongeveer de nalatenschap van zijn dienst bij de Prinses irene Brigade te bevatten. Als een echte “war-artist”? had De Jongh zijn ervaringen ter plekke vastgelegd in tekeningen en aquarellen. Maar liefst twaalf werken getuigden hiervan. Twee aquarellen tonen de kunstmatige haven bij Arromanches en het aan land komen van voertuigen bij Courseulles sur Mer. Een schets van de tocht naar het “transit camp” Cresserons, 4 km ten westen van de kust en 15 km ten noorden van Caen. Sporen van een overhaaste terugtocht van de Duitsers over de Seine bij het dorp Colletot, zijn vastgelegd in een andere tekening. Een volgende aquarel toont een gecamoufleerd Fordson voertuig met luchtdoel geschut (toevallig precies hetzelfde voertuig met bewapening, zoals nu in de museumopstelling staat). Ook de bewaking van de bruggen bij Grave, september 1944, is vastgelegd in een aquarel. Een zeldzaam beeld, de situatie bij Tilburg bij het riviertje de Oude Leij, is ook gevangen in een schets.
De topstukken van deze indrukwekkende collectie zijn twee grote gekleurde aquarellen: een landingsterrein van de 6e Britse Airborne Division in Normandië en de droppings van voorraden bij Grave in september 1944 (bijzonder om daar de gekleurde parachutes te zien, normaal alleen op zwart-wit foto’s).