Het “Museum Brigade en Garde Prinses Irene”, zoals de officiële benaming luidt, is een historische collectie (HC) van het Commando Landstrijdkrachten met een heel specifiek onderwerp, namelijk de geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Brigade “Prinses Irene” (1941 – 1945) en het Regiment Prinses Irene (1946 – 1948), het Garderegiment Prinses Irene (1948 – 1952) en het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene (1952 – heden).
Bijzonder binnen deze historische collectie is de deelcollectie “Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene”. Deze militaire eenheid zette tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Verenigd Koninkrijk de tradities van de gehele Koninklijke Landmacht voort en nam actief deel aan de bevrijding van West-Europa. Hierdoor is deze collectie niet alleen bijzonder voor het Commando Landstrijdkrachten maar ook in zijn geheel binnen de Collectie Nederland.
Oprichting Korpsverzameling
De “Korpsverzameling van het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene”, zoals de oude benaming luidde, bestaat sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw. Op 6 april 1956 opende mevrouw de Ruyter van Steveninck – Houwing, weduwe van de in 1949 overleden oud-commandant van de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene, het “Museum van het Garderegiment Fuseliers”. De basis voor het museum werd gelegd door de vele schenkingen van oud-leden van de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene en de Indië-bataljons (Garde) Regiment Prinses Irene. Zo schonk mevrouw de Ruyter van Steveninck het uniform en de militaire onderscheidingen van haar overleden man.
Het “museum” werd initieel ingericht in een lokaal op de Frederik Hendrikkazerne in Vught, waar het 1e (Garde) Depot Infanterie was gevestigd. Er werd in die periode niet heel actief verzameld, maar het museum en de collectie groeide door toevallige schenkingen. Duidelijk is te zien dat de eerste objecten, waaronder bijzonder unieke stukken, ernstig te lijden hebben gehad van de gebrekkige behoudsomstandigheden. Een opstelling in een lokaal in het volle zonlicht is heel slecht voor onder andere textiel. Helaas!
Eigenaarschap
Op 11 november 1960 werd een stichting opgericht die eigenaar van de collectie werd. Deze stichting werd, en is tot op heden, verantwoordelijk voor de collectie en het beheer en behoud daarvan. De stichting draagt officieel de naam: "Stichting tot Handhaving van de Geschiedenis en de Traditiën der Voormalige Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene en het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene en tot het behartigen van belangen van veteranen van bedoelde eenheden". De naam van de stichting werd om pragmatische redenen al snel verbasterd naar “Stichting Brigade en Garde Prinses Irene” (St. B&G).
Rond 1999 veranderde de positie van de Stichting Brigade en Garde Prinses Irene. Deze stichting trad tot op dat moment slechts op als “eigenaar” van de Regimentsverzameling, maar groeide intussen uit tot het overkoepelend orgaan voor alle geledingen van het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene. De Regimentsverzameling vormde een zelfstandige “poot” in deze vernieuwde organisatievorm en veroverde daarmee ook een eigen plek in het Regimentsblad “De Vaandeldrager” en op de website www.fuseliers.nl.
Verhuizing naar Schalkhaar
Na een aarzelende start in Vught en Assen kwam de verzameling in Schalkhaar terecht. Vanaf juli 1965 werden, vanwege de opheffing van de vredesregimenten bij de opleidingsdepots, alle regimentstaken overgedragen aan 13 Pantserinfanteriebataljon (Painfbat). Het vaandel en de Korpsverzameling verhuisden daarom van Vught naar de Westenbergkazerne in Schalkhaar. Daar werd het museum ingericht op de zolder van gebouw A (Bataljonsstaf).
De politiek vertaalde de val van de Berlijnse Muur op 9 november 1989 direct in de Defensienota van 1991. De landmacht reorganiseerde en de regering besloot onder meer een luchtmobiele brigade op te richten. 13 Painfbat werd aangewezen om te vormen tot schoolbataljon voor deze nieuwe brigade en hield daardoor op te bestaan als painfbat. Omdat alleen een paraat infanteriebataljon de traditie van het Regiment kon voortzetten, werd besloten de traditie over te dragen aan 17 Painfbat in Oirschot.
Verhuizing van Schalkhaar naar Oirschot
Met de overdracht van de regimentszetel in 1992, van 13 Painfbat aan 17 Painfbat, verhuisde de Korpsverzameling naar de Generaal-majoor de Ruyter van Steveninckkazerne in Oirschot. Daar kwam een volledig pelotonslegering gebouw ter beschikking (gebouw 25, inmiddels gesloopt). Dat was meer dan een verdubbeling van de beschikbare ruimte in Schalkhaar. Vrijwilligers en fuseliers met twee rechterhanden mochten zelf aan de slag om te helpen het gebouw op te knappen en in te richten.
Vanaf dat moment werd er ook intensief samengewerkt met de Stichting Historie en Documentatie Koninklijke Nederlandse Brigade “Prinses Irene”, een stichting opgericht door de particuliere verzamelaar Hans Sonnemans. De collectie van deze stichting was gespecialiseerd in geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene. Er was al jarenlang actief verzameld en daardoor was deze collectie uitgebreid en waardevol. De collectie van de Stichting Historie en Documentatie Koninklijke Nederlandse Brigade “Prinses Irene” werd in permanente bruikleen verkregen en in de expositie opgenomen. Alle objecten in de vernieuwde expositie werden gepresenteerd in vitrines en van begeleidende teksten voorzien.
De naam wijzigde van “Korpsverzameling” in de meer gangbare naam “Museum” en Hans Sonnemans werd de vrijwillige conservator van het museum. Tevens ging er een vrijwilligersteam aan de slag dat elke woensdag het museum openstelde en de bezoekers rondleidde. Vanaf dat moment werd er ook vanuit het museum actief verzameld. Zo was er relatief weinig materiaal betreffende de Indië-en Nederlands Nieuw Guineaperiode (1946 - 1951; 3 t/m 7-GRPI). Deze situatie is inmiddels sterk verbeterd. Verder kreeg ook de nieuwe verzamelperiode aandacht, zoals het in de collectie opnemen van objecten die te maken hebben met de (vredes)missies op de Balkan en Cyprus en de inzet van (delen van) het parate Fuseliersbataljon in Irak, Afghanistan en Mali.
Opening museum in Oirschot
Op 11 januari 1993 om kwart voor drie begaven de genodigden zich naar de ingang van het museum (gebouw 25), waar een aantal Fuseliers stond aangetreden. De voorzitter van de Stichting Brigade en Garde Prinses Irene, Luitenant-generaal b.d. J.P. Verheyen, kreeg van de Regimentscommandant Luitenant-kolonel der Fuseliers Leen Noordzij de gelegenheid om voorafgaande aan de openingshandeling een aantal mensen speciaal te bedanken.
Er werd een aantal leden van de Vereniging van Oud-strijders van de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene, bedankt voor hun inspanningen. In de eerste plaats Adjudant b.d. M. C. van Gurp uit Best. die zeer veel werk verzette en bovendien nogal wat familieleden in het werk meetrok (zijn vrouw, dochter Maria en Piet le Maire). Verder de heer J.M. Vonken uit Budel die door zijn bemiddeling bij de firma Rewa een tweetal vitrines kon schenken. Jan van Uempt uit Eindhoven verrichtte het nodige schilderwerk.
De Regimentscommandant, Luitenant-kolonel der Fuseliers Leen Noordzij, verrichtte daarna de openingshandeling. Hij trok een regimentsvlag weg van een bijzonder stijlvolle plaquette, aangebracht naast de ingang van het museum. Hierna begaven de ongeveer 125 genodigden zich naar binnen, waar een drankje werd geserveerd en de collectie kon worden bezichtigd.
Weer een verhuizing
Al in 1995 werd duidelijk dat het Museum Brigade en Garde Prinses Irene weer zou moeten verhuizen. Gebouw 25 moest worden gesloopt in verband met een herindeling van de kazerne. AI snel werden maar liefst twee nieuwe gebouwen aangewezen als nieuw onderkomen. Hans Sonnemans mocht in overleg met het Garnizoen Oirschot een programma van wensen schrijven. De twee gebouwen, 8 en 28 nabij de ingang van de kazerne, waren exact gelijk aan gebouw 25: namelijk oude laagbouw pelotonslegeringsgebouwen van vlak na de oorlog. In het nieuwe plan werd een glazen constructie voorgesteld die kon fungeren als entreehal die de twee naast elkaar gelegen gebouwen met elkaar verbond. Er werd een schitterend plan getekend, maar toen sloeg het noodlot toe: in de loop van 1996 werd al snel duidelijk dat er op dat moment geen gelden beschikbaar waren voor realisatie van het plan. De museumgebouwen kregen de laagste prioriteit en de realisatie werd verschoven naar minstens 2003. Het zou nog tot april 1998 gaan duren voor het eerste gebouw (gebouw 8) kon worden overgedragen. Tot op heden is de wens voor een mooie entreehal niet gerealiseerd.
Opening nieuwe gebouwen
Door allerlei oorzaken en domme pech zou het lang gaan duren voordat gebouw 8 en 28 gereed waren. Hierin speelde zeker de uitzending van de Fuseliers (SFOR 5) een rol. Verder was de staat waarin de gebouwen verkeerden slecht, slechter dan eerder was ingeschat. Pas in januari 1999 was alles zover dat in gebouw 8 een begin kon worden gemaakt met de nieuwe inrichting. Vrijwilligers en fuseliers mochten - wederom - zelf met hamer en kwast en op kosten van het museum aan de slag.
In gebouw 28 speelden andere problemen. Het werd nog later overgedragen en bleek in een hele slechte staat. Er moest een geheel nieuwe elektrische installatie worden aangelegd en ook de plafonds moesten worden vervangen. Er werd contact gelegd met 13 Brigade Pantsergenie Compagnie en in het kader van een leerproject waren zij bereid om de helpende hand te bieden. Maar ook hier speelde domme pech een rol. De werkzaamheden liepen door allerlei oorzaken grote vertraging op en kwamen tenslotte helemaal stil te liggen. Probleem: in gebouw 28 werd asbeststof geconstateerd. Dit moest eerst worden gesaneerd en in afwachting hiervan werd het gebouw hermetisch afgesloten: ook de opgeslagen bouwmaterialen mochten niet meer worden gebruikt. Medio 1999 verhuisde het museum eindelijk naar gebouw 8. Hier werd ook een winkel ingericht die, tot op heden, wordt beheerd door de vrijwilligers.
Op 27 augustus 1999, In aanwezigheid van onder andere de Bevelhebber der Landstrijdkrachten Luitenant-generaal Maarten Schouten, opende de regimentscommandant Luitenant-kolonel der Fuseliers Arie Vermeij samen met de voorzitter van de Stichting Brigade en Garde Prinses Irene Brigadegeneraal b.d. der Fuseliers Guus van Leeuwe met een houw van een klewang het nieuwe museum.
Gebouw 28 werd vanwege de asbestproblematiek pas op 31 mei 2000 geopend door de voorzitters van de twee oud-strijdersverenigingen: Generaal-majoor b.d. Rudi Hemmes (VOSKNBPI) en dhr. Jan Elbers (VOSIB GRPI).
Geregistreerd Museum
Het bestuur van de Stichting Brigade en Garde Prinses Irene koos bewust voor het pad van museumregistratie: in 2002 werd het museum voorlopig ingeschreven in het Nederlands Museumregister en is sinds 6 juli 2005 als “Museum Brigade en Garde Prinses Irene” officieel opgenomen in het register. In 2010 en 2021 werd het museum herijkt als Geregistreerd Museum. Het bestuur van de stichting, conservator en de vrijwilligers onderschrijven, en werken aantoonbaar conform, het kwaliteitskader zoals beschreven in de Museumnorm, uiteraard begrensd door de financiële en personele mogelijkheden.
Sinds 2005 wordt het museum ook wel de “Regimentsverzameling Brigade en Garde Prinses Irene” genoemd. Dit was geheel in lijn met het toenmalige museale beleid van de Koninklijke Landmacht om het begrip “museum” te vermijden en zoveel mogelijk de termen “historische collectie”, “verzameling” of “traditiekamer” te gebruiken. Beide namen worden nog steeds, en door elkaar gebruikt.
Re-enactment
In 2004 werden de Landmachtdagen gehouden op de Generaal-majoor de Ruyter van Steveninckkazerne. Voor het eerst ontstond het idee om rond de museumgebouwen historische militaire voertuigen en re-enactors (acteurs in historische kleding en uitrusting) een plaats te geven. Op deze manier werd het museumgebied levendiger en aantrekkelijker voor het publiek. Dit concept sloeg aan en werd herhaald in 2008, met nog eens een hoogtepunt in 2012. Ruim 250 vrijwilligers waren toen actief in het Historisch Cluster, waar ook de militaire musea acte de presence gaven. De toegang tot het cluster werd gevormd door een erewacht van het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene.
Historisch cluster
De Regimentsverzameling is gevestigd in en om de gebouwen 8, 10 (Regimentsmess “Congleton”) en 28 van de Generaal-majoor de Ruyter van Steveninckkazerne te Oirschot. Deze gebouwen behoren tot de eerste negen oorspronkelijke gebouwen uit 1946. Een historisch, groen en herkenbaar stukje kazerne dat in 2014 door de Oirschotse gemeentelijke monumentencommissie is voorgedragen als “beschermd dorpsgezicht”.
In 2016 is in dezelfde omgeving (gebouw 12 en 13) ook de Historische Verzameling van het Regiment Limburgse Jagers gevestigd. Beide collecties zijn voorzien van ornamenten en poortwachters, waardoor een permanent historisch cluster is ontstaan.
In 2019 werd een project gestart om het voormalig poortgebouw (gebouw 95) in ere te herstellen. In 2023 kreeg dit gebouw de kwalificatie “gemeentelijk monument” (militair erfgoed gemeente Oirschot).
Tot slot
De voormalige “Korpsverzameling” is onder leiding van Hans Sonnemans uitgegroeid van een eenvoudige, door hobbyisten gerunde verzameling in een lokaal tot een volwaardig en geregistreerd museum met uniek historisch (militair) erfgoed. Het is een visitekaartje waar wij als Regiment en Fuseliers zeer trots op kunnen en mogen zijn.
Tekst: Lkol der Fuseliers b.d. Andy van Dijk